De woelige en verwarde Napoleontische tijd is achter de rug; het Koninkrijk der Nederlanden brengt onder koning Willem I een betrekkelijke rust in ons land. De gevolgen van de Franse tijd zijn echter nog niet voorbij: grote armoede, talloze wezen. Het stadsbestuur van Roeselare, in het bijzonder het Weldadigheidsbestuur (het huidige OCMW) , doet een dringende oproep om de 772 arme kinderen , waaronder 40 vondelingen, te helpen. De sociaal bewogen pastoor-deken, Bernard Moens, zet zich achter het concrete project om een school op te richten in de vorm van een werkatelier, waar elementair onderwijs wordt gegeven en lonend handwerk kan worden verricht. Het is zijn bedoeling die kinderen zelfredzaam te maken.

Onder leiding van zijn nicht, Thérèse Lauwers uit Loppem, komen Louise Feys uit Rumbeke en Sofie Verhaeghe uit Kortemark, samenwonen met een aantal weeskinderen in de Brouwerijstraat, de huidige Rodenbachstraat. Zij dragen de naam ‘Zusters van Liefde en Barmhartigheid’ en hebben als patroon de heilige Vincent de Paul, een priester die in de 17e eeuw de grote promotor was van onderwijs voor sociaal minder begunstigde kinderen. Vandaar ook de huidige naam van de religieuze gemeenschap die onze school steunt: Zusters van de Heilige Vincentius.

Oorspronkelijk beschikt de armenschool over twee kleine huisjes. Het Weldadigheidsbureau koopt een bestaand kloostergebouw bij in dezelfde straat, en spoedig daarna nog vijf huizen. Het aantal kinderen stijgt en gelukkig ook het aantal zusters. Rijk zijn ze niet, want de toelage van de Heren van het Armenbestuur is zeer beperkt. De weeskinderen krijgen voeding, logies en onderricht, waarvoor de stad maandelijks twee gulden courant per kind betaalt. Om toch rond te komen ziet de vereniging zich verplicht, naast haar opvoedingswerk nog enige handenarbeid te verrichten. Ook aanvaarden ze betalende kostgangers en leerlingen uit de burgerij. Er wordt een regeling getroffen, waarbij die kinderen de school kunnen bezoeken, op voorwaarde dat de ouders daarvoor een behoorlijke vergoeding betalen ten voordele van het werkhuis. Uit die tijd stamt de naam ‘Burgerschool’. Pas in 1864 komen de eerste staatssubsidies.

Door aankopen en dankzij schenkingen kunnen de zusters vanaf 1872 zelf de school geleidelijk uitbreiden. In de jaren van de schoolstrijd (1879 – 1884) moeten zij de staatssubsidies weigeren en worden zij enkele jaren uit de gebouwen gezet. Daarna start de bouw van een eigen klooster, waarvan de oorspronkelijke gevel nu nog bewaard is. Voor het gebruik van de schoollokalen wordt vanaf juli 1885 huur betaald aan het stadsbestuur. Door aankoop in drie fasen behoren in 1932 uiteindelijk al die gebouwen aan de VZW Zusters van Heilige Vincentius. Ondertussen wordt een avondhuishoudschool geopend, bestemd voor fabrieks- en werkmeisjes. In 1892 wordt ook tijdens de dag een huishoudklas opgericht voor leerlingen vanaf 12 jaar. Dat wordt het fundament van de latere ‘Beroeps- en Handelsschool O.-L.-Vr. Middelares’.

Na een schorsing door de eerste wereldoorlog kan de school in september 1919 haar deuren opnieuw openen. De bestaande onderwijsvorm beantwoordt echter niet meer aan de eisen van de tijd. In 1927 start het eerste jaar ‘Linnennaad’ – begin van een vierjarige cyclus in de Middelbare Beroepshuishoudschool, naderhand gesplitst in Technische Afdeling ‘Snit en Confectie’ en ‘Handelsafdeling’. Daaraan wordt in 1930 een leerwerkhuis toegevoegd. Daaruit groeien drie zesjarige afdelingen: Technisch Kleding, Beroepsonderwijs Kleding en Technisch Handel onder de naam ‘Technisch instituut O.-L.-Vrouw Middelares, sedert 1962 gewijzigd in ‘Maria – Middelaresinstituut’.

Aankoop van gronden en bouwwerken gaan hand in hand met de uitbreiding van de studiemogelijkheden: in 1930 een hele vleugel voor de technische afdeling, tussen 1933 en 1934 aanzienlijke verbouwingswerken, in 54-55 de bouw van het huidige specialisatieblok en aanpassingswerken voor bijkomende klaslokalen.

In 1953 wordt de Moderne Humaniora opgericht onder de naam ‘Instituut Zusters van de H. Vincentius’, in 1975 verkort tot ‘Vincentiusinstituut’. Door hervormingen binnen de Roeselaarse scholengemeenschap is er sinds 1 september 2006 geen humaniora meer in de Burgerschool.

Om het handelsonderwijs bij de tijd te brengen richt de school nieuwe studierichtingen op die inspelen op de vraag van de bedrijfswereld:

  • 1969 Moderne Talen TSO (nu Office Management en Communicatie)
  • 1982 Bedrijfseconomische informatica TSO (nu Accountancy en IT)
  • 1982 Verkoop BSO (nu Office en Retail)
  • 1988 Zevende jaar Winkelbeheer en Etalage BSO
  • 1999 Informaticabeheer TSO (nu IT en Netwerken)
  • 2006 Onthaal en Public Relations (nu Communicatie en media)

In 1981 krijgt de Burgerschool een nieuw elan. De leegstaande ‘Jutoise Roularienne’ in de Kattenstraat wordt aangekocht. Die wordt omgebouwd tot een modern en functioneel schoolgebouw, dat in 1985 in gebruik wordt genomen. Op 1 september 1984 was er een fusie met de beroepsschool Nazareth uit Rumbeke.

Op 21 mei 1997 kocht de school het winkelpand in de Noordstraat 69. Hierdoor strekt het domein van de school zich nu uit van de Noordstraat tot de Diksmuidesteenweg.

Sinds 1983 worden ook jongens ingeschreven, binnen de afdelingen die voor hen niet bestaan in de regio. Sinds 1 september 1995 zijn alle studierichtingen gemengd.

Sinds 1 september 2002 is de afdeling Kantoor in de Burgerschool gevestigd ten gevolge van het herstructureringsplan.

Sinds 1 september 2006 werd de afdeling KMO-administratie afgebouwd en een nieuwe richting uit het domein Toerisme opgericht : Onthaal en Public Relations.